arrow_drop_up arrow_drop_down
Waarom is onderzoek naar nieuwe behandelvormen bij vechtscheiding belangrijk?
13 februari 2020 
in Hulp

Waarom is onderzoek naar nieuwe behandelvormen bij vechtscheiding belangrijk?

Deel 1 van het interview met Olaf Goorden, onderzoeker Altra

Hoe word je ‘onderzoeker' in de jeugdzorg?

‘Ik begon als hulpverlener in de crisispleegzorg. Dat heb ik een jaar of twee gedaan. Dat vond ik heel waardevol om te doen. Maar ik merkte dat ik het ook erg leuk vond om na te denken over hoe we de behandelingen kunnen verbeteren.

Hoe kunnen we ouders en kinderen nog beter helpen? Gelukkig kreeg ik tijd en ruimte om me daarin verder te ontwikkelen. Na een paar jaar had ik zelfs een heel team om me heen dat ik begeleidde.'

Hoe doe je dat dan: behandelingen verbeteren voor ouders en kinderen?

‘Bij het ontwikkelen van nieuwe behandelmethodieken speelt onderzoek een grote rol. Je moet uitzoeken wat werkt en wat niet werkt. Dat doe je op basis van wetenschappelijke literatuur, waarin is gekeken welke manieren van behandelen het beste werken.

Maar je gaat ook in de praktijk kijken, praten en meten. Dat doe je zoveel mogelijk met hulp van hulpverleners, ouders en kinderen.

Bijvoorbeeld: welke soort begeleiding helpt het beste bij kinderen die veel moeite hebben met een scheiding? Of: welke gesprekstechniek moet je als hulpverlener gebruiken om een kind met gedragsproblemen te motiveren? En hoe help je ouders die veel ruzie maken om het contact te herstellen?'

Waarom is dat belangrijk?

‘Omdat kinderen en ouders daardoor betere hulp krijgen. Door onderzoek leren we namelijk wat wel werkt en wat niet werkt. Die kennis kunnen hulpverleners gebruiken om betere hulp te bieden. Ik zal een voorbeeld geven.

Mensen moeten een vragenlijst invullen als ze bij jeugdzorg binnenkomen. Die vragen gaan over wat er aan de hand is in het gezin. Je moet bijvoorbeeld invullen wat er goed gaat en wat er niet goed gaat. Zo weet de hulpverlener waar ze mee kan helpen.

Maar in die vragenlijst staan geen vragen over scheidingssituaties. Je hoeft niet in te vullen of er contact is tussen beide ex-partners en het kind en of het goed lukt om afspraken te maken over de zorg voor de kinderen.

En dat terwijl veel van de kinderen in de jeugdzorg ouders hebben die scheiden (of al gescheiden zijn).

Om te weten hoe we zo'n gezin het beste kunnen helpen, moeten we wél weten wat er aan de hand is. Als onderzoeker ben ik nu bezig om een nieuwe vragenlijst te ontwikkelen: eentje die specifiek gaat over scheidingssituaties.

Met deze vragenlijst kunnen hulpverleners samen met ouders aan het begin van de hulp aangeven wat de situatie is. En aan het eind van de hulp kunnen we met dezelfde vragenlijst kijken wat er verbeterd is.

Die informatie kun je dan weer gebruiken voor onderzoek.'

Lees nu ook deel 2 van het interview met Olaf

Heb je nog een voorbeeld van belangrijk onderzoek voor ouders en kinderen?

‘Ja, we hebben een film ontwikkeld die je met een virtual reality-bril moet bekijken. Als je de bril opzet, is het alsof je midden in een situatie zit. Jij bent het kind, en om je heen zie je bijvoorbeeld je moeder heen en weer lopen, terwijl je op je vader wacht.

Je kunt zelf niks zeggen, maar beleeft hoe je ouders op elkaar en op jou reageren. Als ze gaan bekvechten bijvoorbeeld, zit je er letterlijk tussenin.

Je kijkt door de ogen van een kind en voelt als ouder hoe machteloos of boos of verdrietig je kind zich op zo'n moment kan voelen.

Door daar samen met een ouder naar te gaan kijken en over te praten, helpen we hem of haar om te beseffen wat geruzie met een kind doet. Ook met je eigen kind. Van daaruit werken we dan aan verandering.'

Hoe komen jullie op ideeën voor nieuw onderzoek?

‘Vaak krijgen we signalen vanuit de praktijk. Dus van de hulpverleners zelf. Die merken dan bijvoorbeeld dat sommige cliënten niet alles begrijpen, bijvoorbeeld als ze de Nederlandse taal niet goed spreken of een lichte verstandelijke beperking hebben.

Dan ga ik op zoek naar een methodiek die eenvoudiger te begrijpen is. En als die er niet is, dan ontwikkelen we die zelf. Ik ga eerst kijken in de wetenschappelijke literatuur. Weten we wat werkt in hulpverlening aan mensen met een lichte verstandelijke beperking?

Is er al onderzoek gedaan op dit onderwerp? Wat werkt het beste volgens hulpverleners in de praktijk? En waar zijn cliënten tevreden over? Op basis daarvan bepalen we hoe we de methodiek het beste kunnen verbeteren.'

Is er altijd genoeg geld beschikbaar voor het werk wat je doet?

‘Nee. Er is echt meer tijd en geld nodig. Onderzoek en het ontwikkelen van nieuwe methodieken is niet waar jeugdzorginstellingen in de eerste plaats voor betaald worden. Ouders, kinderen en hulpverleners hebben allerlei goede ideeën om nieuwe hulp te ontwikkelen en bestaande hulp te verbeteren.

Jeugdzorginstellingen willen daar ook wel in investeren, maar ze moeten op dit moment elke euro omdraaien. Dat vind ik heel erg zonde. Ik vind dat je vanuit de overheid al moet regelen dat een groter deel van het geld gebruikt kan worden om onderzoek te doen en om de hulpverlening te verbeteren.

Iederéén doet dat. Medicijngiganten doen onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. De elektronica-industrie ontwikkelt nieuwe producten. En zonder onderzoek vanuit de autoindustrie komt er echt geen nieuwe auto op de markt.

Het is juist heel goed dat er onderzoekers bij jeugdzorginstellingen werken. Je moet ook onderzoek doen op de universiteit. Maar wij krijgen heel snel de signalen uit de praktijk, van de hulpverleners zelf. Dat werkt hartstikke goed.'

Als het goed werkt, waarom is er dan extra geld nodig?

‘Omdat er binnen jeugdzorg zelf vaak niet genoeg geld is om de kosten van al het onderzoek dat nodig is volledig te betalen. Voor het ontwikkelen van de nieuwe vragenlijst bijvoorbeeld, heb ik nu ‘subsidie' gekregen van een andere organisatie.

Daarmee heb ik een extra onderzoeker aangenomen om mee te werken in dit onderzoek. Dat is mooi, maar het kost ook veel tijd om dat soort subsidies aan te vragen. Tijd die je ook zou kunnen besteden aan het onderzoek zelf.

Kijk, je wilt niet de generatie zijn die het boven alles gelukt is om geld te besparen. Je wil de generatie zijn die problemen van ouders en kinderen heeft opgelost.

Gelukkig zijn er wel veel samenwerkingsverbanden, zoals iHUB, waarin we samen onderzoek doen en van elkaars kennis gebruik kunnen maken.

Het is dé plek waar we samenwerken aan oplossingen voor vragen die met jeugdhulp en onderwijs te maken hebben.'

Lees ook deel 2 van het interview met Olaf: Welke hulp kunnen ouders vragen bij een vechtscheiding?

Over de schrijver
Sonja Alferink is journalist en freelance schrijver. Samen met haar vriendin heeft ze een zoon. Ze heeft het tot haar missie gemaakt om mensen een stem te geven die te weinig worden gehoord. Op het Ouderpeilpunt onderzoekt ze graag de rechten van ouders en welke stappen je kunt nemen. Sonja schrijft ook voor De Volkskrant, Vrij Nederland, Het Parool en magazine &C.
Reactie plaatsen